|
S: Wat ging
aan het
gedrag
vooraf |
O: gedachten,
emoties,
verwachtingen,
motivatie |
R: Gedrag |
C: Gevolgen,
positief,
neutraal en
negatief |
Andere
informatie |
Beschrijving cliënt
|
Wanneer?
Waar?
Met Wie?
Wat was je aan het doen juist voor het probleem-gedrag zich voordeed?
|
Wat voelde je in die situatie voorafgaand aan het probleemgedrag?
Wat dacht je in die situatie voorafgaand aan het probleemgedrag? |
Wat deed je en waarom deed je het? |
Wat voelde je nadien?
Wat dacht je nadien?
Wat deed je nadien?
Wat deden de anderen nadien? |
|