Deel 1. Achtergronden.
Gauquelin deed twee ontdekkingen die astrologen aanstonden,
sceptici boos maakten, en verder ieder ander voor raadsels
stelden:
(1) Bij professionele mensen, zoals wetenschappers, bestaat
een neiging geboren te worden met een overschot of een tekort
van bepaalde planeten in de hemelstreken even verder dan hun
opkomst of culminatie, maar alleen als deze mensen op natuurlijke
wijze geboren worden en [later] uitblinkers zijn.
(2) Bij "gewone" mensen met zulke planeetstanden is er een
neiging deze over te dragen op hun kinderen.
In beide gevallen is die neiging te zwak om praktisch bruikbaar
te zijn. Maar meer dan 40 jaar lang konden deze ontdekkingen
niet verworpen worden met verklaringen die waren gebaseerd
op "artefacts" (astronomisch, demografisch, statistisch of
veroorzaakt door de onderzoeker).
[Een wetenschappelijk artefact is een uit de onderzoeks-opzet
zelf voortkomend resultaat - vert.] Deze raadsels leken alleen
astrologisch verklaarbaar.
Maar de ontdekkingen van Gauquelin staan open voor drie "attributie-"
of "toeschrijvings-artefacten" die tot vrij recent over het
hoofd waren gezien.
Type 1 is "zelf-toeschrijving" (vanaf nu "(zelf-)attributie"
genoemd) oftewel het spelen van een rol overeenkomend met
onze planeetstanden: we weten wat onze geboortehoroscoop betekent
en passen ons zelfbeeld daaraan aan.
Type 2 is "ouderlijk geknoei [met geboortetijden]" (voordat
ouders naar de burgelijke stand gaan voor de geboorteaangifte,
passen ze de geboortegegevens van hun pasgeborenen zó aan
dat de planeetstanden in overeenstemming zijn met familie-tradities.)
Als wordt voldaan aan die traditie is de uitkomst een kunstmatig
planetair effect dankzij dat ouderlijke geknoei.
Type 3 is "perinatale controle", die vergelijkbaar is met
type 2, maar de geboortetijd wordt dan doelbewust gemanipuleerd:
moeders en verloskundigen doen hun best er voor te zorgen
dat kinderen geboren worden op het goede astrologische moment.
In elk van deze gevallen genereert dit kunstmatige geregel
een vals planetair effect. Kan dus in plaats van astrologie,
attributie de verklaring zijn voor de raadsels van Gauquelin?
Tot nu toe werd attributie als artefact afgewezen, want ze
lijkt niet toepasbaar op planeetposities waarvan immers in
de regel mensen zich niet bewust zijn en de [astrologische]
traditie zegt dat ze eerder zwak zijn dan sterk.
Maar deze afwijzing is voorbarig. De meeste door Gauquelin
verzamelde gegevens stammen uit het negentiende en vroeg-twintigste-eeuwse
Europa, toen almanakken met informatie over planeetstanden
populair waren, ouders meer dan genoeg gelegenheid hadden
geboortegegevens naar believen te manipuleren, en daartoe
genoeg motivatie bestond gebaseerd op familie-tradities, de
heersende wereldbeelden en zo het spelen van een rol aanmoedigde.
Planetaire effecten zouden aldus eenvoudige verklaard kunnen
worden door attributie … m.a.w. zij zouden "door mensen gemaakt"
kunnen zijn.
Maar hoeveel attributie is er dan wel nodig? Het antwoord
is: Niet veel!
Planetaire effecten zijn zó zwak dat attributie slechts nodig
is in 1 (één) van de 30 geboorten om ontdekking (1) te verklaren,
en 1 (één) in de 45 geboorten voor het verklaren van ontdekking
(2). Beide niveaus zijn minder dan het gemiddelde van 1 op
13 zoals die werd waargenomen voor zonneteken-zelfattributie,
dus ze lijken aannemelijk.
Maar wat dan nog? Deze vergelijking betekent niets tenzij
we verbanden kunnen vinden tussen attributie en planetaire
effecten. Dus naar zulke verbanden zoeken wij in de delen
2 en 3.
Deel 2. Proeven op gegevens van 15942 uitnemende professionals.
Dit zijn de geboortegegevens waarmee in 1960 Gauquelin zijn
originele ontdekkingen bevestigde. Zij bestaan uit tien groepen,
namelijk 1409 acteurs, 675 journalisten, 3047 militairen,
1249 musici, 1473 kunstschilders, 2552 medici, 1003 politici,
1094 wetenschappers, 2088 sportkampioenen, en 1352 auteurs,
in totaal 15942.
Naderhand werden hier door Gauquelin en anderen meer gegevens
aan toegevoegd, maar in het algemeen genomen laten zij nog
steeds de meest consistente planetaire effecten zien.
Dus, als deze beïnvloed waren geweest door attributie, dan
zijn dit de beste geboortegegevens voor een nadere analyse.
Welnu, experimenten met deze gegevens bevestigen het bestaan
van attributie en hun verband met planetaire effecten. Gewenste
en ongewenste dagen tonen statistisch significante (p<<0.01)
overschotten en tekorten van geboorten die, in het algemeen,
consistent zijn over de professionele groepen.
Zulk een resultaat kan slechts het product zijn van attributie.
Zo correleert het vermijden van het "spookuur" van middernacht
voor 88% met het vermijden van "behekste" datums (dit zijn,
vanuit de bijgelovige traditie gezien, de dagen waarop men
de duivel kan ontmoeten) en voor 69% met planetaire effectgrootte,
respectievelijk p=0.001 en p=0.03. Zulke vermijdingen van
behekste dagen zijn begrijpelijk gezien de massale heksenjachten
die West-Europa terroriseerden en waarvan de nasleep gevoeld
werd tot in de twintigste eeuw. Belangrijker nog, geboorten
op gewenste en ongewenste dagen laten verschillen in planetaire
effect-grootten zien die exact voorspeld worden door attributie.
Bijvoorbeeld, de gemiddelde effectgrootte is groter op gewenste
dagen (ouders knoeien met geboortegegevens om zo een gunstige
geboortedag te verkrijgen) dan op ongewenste dagen (ouders
laten na met de geboortegevens te knoeien), zijnde 0,029 en
0,012. Dit zou niet kunnen als er geen verband zou bestaan
tussen planetaire effecten en attributie-effecten.
Attributie verklaart ook waarom, in tegenstelling tot wat
werd verwacht, effectgrootten toenemen bij een afnemende precisie
van de geboortetijd - immers, gemanipuleerde geboortetijden
hoefden niet precies te zijn. Hoe konden de waargenomen niveaus
van manipulatie vergeleken worden met de één op 30 die nodig
is voor het verklaren van planetaire effecten? Voor zowel
het knoeien met datums als met uren is dat 1 op 25, dus meer
dan genoeg.
Aangenomen dat er niets anders in het spel is, betekent dit
dat er genoeg ouderlijk geknoei aanwezig is in deze geboortedata
om de bestaande verklaringen voor of tegen de claims van Gauquelin
te verwerpen.
Deel 3. Proeven op 24948 erfelijkheidsgegevens.
Dit zijn de 9574 gezinnen (12398 ouders en 12550 kinderen)
uit het eerste erfelijkheids-experiment van Gauquelin, uitgevoerd
in 1966. Dit was de meest succesvolle van zijn drie erfelijkheids-experimenten,
dus in het geval de erfelijkheids-effecten van Gauquelin beïnvloed
waren door attributie, zijn dit de beste gegevens om te analyseren.
Proeven met deze gegevens ondersteunen het bestaan van attributie
en haar verband met erfelijkheids-effecten.
De geboortegegevens wekken de indruk dat de ouders een voorkeur
hadden voor kinderen van gelijke sexe en dat zij hun kinderen
meer op henzelf wilden laten lijken wat geboortedatum of weekdag
betreft dan de natuur hun toeliet; in elk van de gevallen
is p=0.02. Misschien wel één per acht geboorten van de kinderen
[in deze groep] wekte de indruk dat er mee geknoeid was, vergeleken
met de één per 45 voor een verklaring van een erfelijkheids-effect.
Maar hebben deze attributie-effecten een verband met erfelijkheids-effecten?
Het antwoord is bevestigend: Erfelijkheids-effectgrootten
voor kinderen zijn groter voor ouders van dezelfde sexe dan
voor ouders van de andere sexe, welk verschil wordt voorspeld
door attributie maar niet door erfelijkheid. Verdere proeven
met sexe-effecten leverden resultaten op precies zoals voorspeld
door ouderlijk geknoei maar niet door erfelijkheid, wat niet
zou moeten als er geen verband zou bestaan tussen erfelijkheids-effecten
en attributie.
Attributie verklaart ook waarom Gauquelin's derde erfelijkheids-experiment
over een groep van 33120 personen effectgrootten van bijna-nul
gaf. Hiervan zei hij dat ze waren veroorzaakt door medisch
ingrijpen. Maar het idee dat juist ouderlijk geknoei wordt
voorkomen is plausibeler dan het idee dat alle ziekenhuizen,
alle doctoren en alle verloskundigen bij alle geboorten overgaan
tot een medisch ingrijpen.
Aldus vertelt dit enorme derde experiment meer dankzij zijn
falen dan het gedaan zou hebben als het succes zou hebben
gehad.
Deel 4: Discussie en Conclusie.
De resultaten in de delen 2 en 3 zijn samenhangend en geven
aan dat attributie een krachtig artefact is in de gegevens
van Gauquelin.
Kunnen we daarom concluderen dat attributie de raadselachtige
ontdekkingen van Gauquelin verklaart?
In feite schijnen ze inderdaad elk raadsel te verklaren, inclusief
die welke te maken hebben met horoscoopfactoren, betekenis,
eminentie, medisch ingrijpen, karaktertrekken, en de afwezigheid
van fysieke correlaties (d.w.z. afstand en grootte van de
betrokken planeten) die allemaal exact kunnen worden voorspeld
door attributie maar niet door andere artefacten.
Desondanks zouden echte planetaire effecten nog wel kunnen
bestaan, echter dan wel met effectgrootten die nóg kleiner
zijn dan die welke nu worden waargenomen.
Daarom kunnen we attributie wel beschouwen als een krachtig
artefact, maar niet zozeer als een complete verklaring.
Voor astrologen is het goede nieuws dat het bestaan
van attributie de realiteit van de vondsten van Gauquelin
bevestigt. Uitgaande van de sociale omstandigheden van toen,
mogen we zelfs zulke kleine planetaire effecten verwachten;
juist hun eventuele afwezigheid zou verbazingwekkender zijn
dan hun aanwezigheid.
Het slechte nieuws is dat, tenzij planetaire effecten
kunnen worden aangetoond onder omstandigheden waarbij attributie
afwezig is - zoals wanneer de ouders worden uitgesloten van
de schriftelijke rapportage van het geboorteproces en het
kind onwetend is van zijn geboorteplaneten - de vondsten van
Gauquelin niet langer kunnen worden gezien als een ondersteuning
voor de astrologie of voor de verschillende andere geopperde
verklaringen zoals incompetentie en fraude.
We kunnen in elk geval nagaan wat het meest waarschijnlijk
is: Dat een eeuw geleden enkele mensen knoeiden met geboortegegevens
of hun beroepen in overeenstemming met populaire overtuigingen,
of dat dezelfde gegevens een verbijsterend effect onthullen
waarvoor geen aannemelijke wetenschappelijke verklaring bekend
is.
Deze samenvatting is gepubliceerd in: Astrology
under Scrutiny, Volume 12; Issues 1 & 2, October 2000,
Astrologie en Onderzoek, 87 p. De samenvatting zelf werd mij
bezorgd door de schrijver ervan Rudolf
Smit, waarvoor mijn dank.
All rights reserved © 2000 Rudolf Smit
|