|
Wat zijn coördinaten?
Coördinaten zijn getallen die gebruikt worden om
de plaats van een punt vast te leggen, bv op een lijn,
in een vlak of in de ruimte.
Men vertrekt daarbij steeds van een referentiepunt,
of de oorsprong van het coördinatenstelsel. Om
bv de plaats van een dorp op een kaart vast te leggen
heb je 2 getallen nodig, één voor de horizontale
plaatsbepaling en één voor de vertikale.
In de ruimte heb je 3 getallen nodig. In de astronomie
worden verschillende coördinatenstelsels gebruikt,
en de meeste dienen om een bepaald punt vast te leggen
op de hemelbol. Men werkt met een vaste grote cirkel
op deze bol en zijn bijbehorende polen.
Om de plaats van een bepaald punt P te bepalen, brengt
men door P een grote cirkel aan, deze staat loodrecht
op de vaste grote cirkel die men als referentievlak
heeft genomen. Het snijpunt dat het dichtst bij P ligt,
noemen we P'. De boogafstand PP' is dan de ene coördinaat.
Deze wordt gemeten in °, van 0° tot 90°.
De boogafstand van P' tot een vast referentiepunt op
de vaste grote cirkel vormt de tweede coördinaat.
Deze wordt uitgedrukt van 0° tot 360° of in
uren van 0u tot 24u.
Coördinatenstelsels:
Astronomen gebruiken verschillende coördinaten
stelsels.
Als we naar de nachtelijke hemel kijken lijken de sterren
opgehangen te zijn in een grote omgekeerde schaal of
kom. Deze omgekeerde kom wordt de hemelbol genoemd.
Vermits alle hemellichamen aan de hemelbol voor ons
op dezelfde, lange afstand bevinden, is het niet noodzakelijk
om hun juiste afstand te kennen. Het is voldoende als
we de hoekpositie kennen zoals deze geprojecteerd wordt
in de hemelbol. Gezien de hemelbol voor ons overkomt
als een twee-dimensionaal, gebogen oppervlak zijn twee
hoekmetingen voldoende om de posities van de hemellichamen
relatief tegenover elkaar te bepalen.
Men kan gelijk welk coördinatenstelsel gebruiken.
Elk stelsel gebruikt een referentievlak welke een grote
cirkel projecteert op de hemelbol, en daarnaast kiest
men een specifiek referentiepunt op deze cirkel.
De coördinaten worden dan bepaald door de hoekmeting
rond deze grote cirkel vanuit dat referentiepunt en
door de hoekafstand vanaf de referentiecirkel loodrecht
via een andere grote cirkel op dat vlak.
a) Het equatoriaal coördinaten
stelsel.
In dit stelsel wordt de equator van de aarde als referentievlak
genomen. (Door het verlengen van de aardas in de ruimte
krijgt men in de hemelbol de hemelpolen, evenver van
elk ligt de hemelequator, het vlak door de equator van
de aarde). De projectie van dit vlak snijdt de hemelbol
in een grote cirkel die de hemelequator wordt
genoemd. Het referentiepunt op de hemelequator wordt
bepaald door het snijvlak met de ecliptica (het vlak
van de baan van de aarde).
De Zon volgt schijnbaar de ecliptica in zijn dagelijkse
beweging tegen de sterrenachtergrond. Dit pad wordt
de ecliptica genoemd, omdat de maan- en zonneeclipsen
langs dit pad gebeuren.
Gezien de equator een helling heeft van 23°26-8'
tegenover de ecliptica, snijden deze twee vlakken elkaar
in twee punten.
En waar de Zon schijnbaar de hemelequator kruist van
Zuid naar Noord is als referentiepunt gekozen d.i. de
lenteequinox of lentepunt of 0° Ram (vernal equinox
of lenteequinox).
De positie van een hemellichaam wordt hier bepaald door
de afstand van de lenteequinox (vernal equinox of 0°
Ram of het lentepunt) - gemeten langs de hemelequator
(de equator - horizontaal zouden we kunnen zeggen),
en door de afstand vertikaal boven of onder de hemelequator.
Dit paar coördinaten noemt voor het horizontale
gedeelte de "rechte klimming" en voor het
vertikale gedeelte de "declinatie".
Dit systeem wordt door astronomen vooral gebruikt voor
aarde-gebonden observatie, gezien het de dagelijkse
beweging van een hemellichaam door de hemel goed kan
beschrijven.

Rechte klimming (oost-west of de right ascension
op de tekening) kan worden uitgedrukt in graden (0..360°)
of in hoek-uren (0 ... 24) waarbij één
hoek-uur gelijk is aan 15°. Met beide maateenheden
kan men een cirkel meten. In de Noordelijke hemisfeer
verhoogt de rechte klimming kloksgewijs wanneer je naar
het Noorden kijkt
Declinatie (de hemelequivalent van hoogte of
declination) wordt steeds uitgedrukt in graden. Om een
idee te hebben wat één graad betekent
aan de hemel: de Volle Maan heeft een diameter van een
halve graad.
Tussen de lente- en de herfstequinox in rijst de ecliptica
tot haar maximale declinatie op +23,5° (zomersolstitium)
en valt dan terug tot haar minimale declinatie op -23,5°
(wintersolstitium).
b) Het ecliptisch coördinatenstelsel.
De positie van een hemellichaam wordt hier bepaald
door de afstand van de lenteequinox (0° Ram of het
lentepunt) - gemeten langs de ecliptica (voor wat de
horizontale component betreft) en door de afstand vertikaal
boven of onder de Ecliptica. Het ecliptisch coördinatenstelsel
wordt voornamelijk gebruikt voor het berekenen van de
banen van de planeten rond de Zon (of rond de aarde
zoals het geval is voor de Maan).
De geografische lengte wordt steeds in graden (0°
... 360°) berekend. Daarbij is het wel traditie
dat deze 360° worden ingedeeld in 12 gelijke delen
van 30°, de tekens genoemd. Deze tekens hebben de
namen gekregen van Ram ... tot ... Vissen. Men geeft
daarbij de naam van het teken en het aantal graden in
dat teken, om de positie van een hemellichaam op te
geven.
De vertikale positie wordt steeds uitgedrukt in graden.
Beide coördinatenstelsels delen hetzelfde vertrekpunt
namelijk het snijpunt van het vlak van de Ecliptica
met het vlak van de hemelequator.
De westerse astrologen die de tropische zodiac gebruiken
werken dus met juist dezelfde coördiantenstelsels
als de astronomen. Astrologen vermengen wel de beide
coördinatenstelsels. Van de ene ge
bruikt men de geografische lengten (men meet deze dus
langs de ecliptica), en van de andere gebruikt men de
declinaties (de afstand boven of onder de hemelequator).
Astrolgosch heeft dit wel zin, maar men dient toch
op de hoogte te zijn van het astronomische verschil.
We kunnen dus declinatie en geografische lengten niet
simpleweg vergelijken met de horizontale of vertikale
positie van een stad op een landkaart.
Wat betekent dat nu astrologisch?
We zeggen van twee planeten die niet conjunct staan
in de geografische lengten, maar vertikaal dezelfde
declinatie hebben, dat ze parallel zijn. Staan
de twee planeten in dezelfde declinatiegraad maar de
ene Noordelijk en de andere Zuidelijk van de hemelequator
dan noemen we ze contraparallel.
Indien beide planeten zowel conjunct staan in de geografische
lengten als in de declinaties dan vormen deze planeten
een eclips.
Astrologisch geeft men dezelfde betekenis aan conjunct
als aan parallel. Ook aan contraparallel geeft men dezelfde
betekenis, maar iets minder sterk. Sommige astrologen
geven aan een contraparallel de betekenis van een oppositie.
Noot:
Coördinatenstelsels:deel
2
a)
Het geografisch coördinatenstelsel
b) Het topografisch coördinatenstelsel
c) Het galactisch coördinatenstelsel
|