|
Kt Boeher wrote in her book
p. 16: "There were only two available options:
either the celestial equator or the Via Solis, the Ecliptic."
Uitgangspunten:
De declinatie geeft de schijnbare hoogte aan
van de Zon in het equatoriaal coördinatenstelsel.
Waar het in werkelijkheid om gaat, is de schuine stand
van de aardas, waarrond de aarde dagelijks draait terwijl
het zijn jaarlijkse baan rond de Zon aflegt.
En de lengte geeft de afstand aan langs de ecliptica
gemeten vanaf het lentepunt in het ecliptisch coördinatenstelsel.
Waar het in werkelijkheid om gaat, is de beweging van
de aarde om de Zon.
Als je dus de schijnbare baan van de Zon om de
aarde wil beschrijven, dan heb je twee begrippen nodig:
namelijk: het begrip lengte en het begrip declinatie.
Beide begrippen zeggen iets over de aarde, beide gebeuren
op dezelfde moment en zeggen iets over hetzelfde hemellichaam.
We leggen ook de nadruk op het begrip schijnbaar.
Zo zien we de Zon dagelijks opkomen en ondergaan, maar
dit is schijnbaar! We weten immers dat het de aarde
is die rond de Zon draait. Zo weten we ook dat beide
begrippen deel uit maken van twee verschillende coördinatenstelsels.
Maar vanuit de aarde gezien, vertegenwoordigen deze
twee verschijnselen (het draaien van de aarde om zijn
as in een bepaalde hoek of declinatie, en het tegelijk
draaien van de aarde om de Zon weergegeven door zijn
positie op de ecliptica via de ecliptische lengten)
twee delen van één activiteit: namelijk
de relatie van de aarde met de Zon. Deze relatie
wordt in de efemeridenboeken weergegeven door de posities
van de Zon in de (ecliptische) lengten en de declinaties.
Beide zijn schijnbare maten vanuit het perpectief
van de aarde zoals we de Zon zien aan de hemelsfeer.
Vanuit de lengten zien we de Zon in de achtergrond van
de graden van een sterrenteken dat opposiet ligt tegenover
de aarde. Vanuit de declinatie is de Zon opgetekend
zoals die schijnbaar declineert en inclineert (inclinatio
= helling) vanuit de positie van de Solsticepunten.
Alles draait hier dus om schijn!
De positie van de Zon in een bepaalde
Noorder- of Zuiderdeclinatiegraad correspondeert rechtstreeks
met een bepaalde graad van een specifiek zodiakaal sterreteken
in zijn stijging en en met een andere bepaalde graad
van een ander specifiek zodiakaal teken in zijn daling
en met de jaarlijks terugkerende posities.
Vandaar dat declinatiegraden rechtstreeks kunnen gerelateerd
worden met graden van ecliptische lengte.
Voorbeeld:
Wanneer de Zon in declinatie (schijnbaar) op 14°20'
Noorderdeklinatie staat, dan zal de ecliptische lengte
in zijn klimming naar het Solsticepunt (0°00' Kreeft)
op 8°29' Stier staan, en +/- voorkomen op 29 april
van elk jaar; nadien na het bereiken van het Solsticepunt,
komt de Zon in zijn daling ook op 14°20' Noorderdeklinatie
te staan, en dit zal samen vallen met de ecliptische
lengte van 21°01' Leeuw, en jaarlijks voorvallen
+/- op 14 augustus van het jaar. Deze punten worden
de antiscia (van het Grieks anti = tegengesteld,
opposiet scia = schaduw) genoemd.
Als je van 0° Ram op de equator omhoog
gaat tot het punt waar de rechte klimming de Kreeftskeerkring
snijdt, en dan terug naar 0° Weegschaal, en dan
weer verder tot het punt waar op 270° rechte klimming,
waar deze de Steenbokskeerkring snijdt, en dan terug
tot het beginpunt 0° Ram, dan heb je een lijn die
de ecliptica weerspiegeld in relatie tot de equator
en declinatie op aarde.
Elke declinatiegraad kan gelijkgesteld worden met een
bepaalde ecliptische lengtegraad, vandaar dat het pad
getrokken door de Zon's schijnbare declinatie en het
pad van de ecliptica doorheen de oppervlakte van de
aarde met elkaar kunnen gekoppeld worden, en beide zijn
in werkelijkheid het resultaat van twee activiteiten
van de aarde zelf, namelijk het draaien rond zijn hellende
as en het draaien rond de Zon.
Nogmaals het is op basis daarvan dat de seizoenen ontstaan,
vndaar hebben we kardinale punten, vandaar hebben we
antiscia, vandaar komen we erbij dat ecliptische lengten
en declinaties kunnen gelijkstellen, en vermits ze samen
voorkomen, deze twee metingen dezelfde gebeurtenis in
de tijd vertegenwoordigen.

|