|
Als we denken aan de bewegingen van de
planeten aan de hemel, dan stellen we ons dat eerder
voor als dat de planeten in cirkels rond de Zon draaien.
We denken daarbij aan een twee-dimensionaal vlak.
Voor ons lijkt het zelfs dat de Zon rond
de aarde draait: 's morgens op komt in het Oosten en
's avonds ondergaat in het Westen.
Deze beweging van de Zon gebeurt tegen een achtergrond
van sterrenbeelden
(konkreet de sterrenbeelden van Ram tot Vissen).
Die schijnbare baan van de Zon wordt de ecliptica
genoemd. De ecliptica werd zo genoemd omdat op die baan
de Zonne- en Maaneclipsen werden waargenomen (eclips
komt van het Latijnse eclipsis, in 't Grieks van ecleipsis,
ekleipoo = verlaten, verdwijnen en vandaar verduisteren;
ecliptica komt van het Lat. eclepticus of Gr. ekleiptikos:
tot een eclips behorend).
De Zon volgt altijd dezelfde baan. De ecliptica is dus
een twee-dimensionaal vlak (het heeft lengte en breedte,
maar géén diepte). En de schijnbare baan
van de Zon, van op zij bekeken (zoals je een cirkel
van opzij bekijkt) is een vlak.
Alle planeten (met enkele uitzonderingen)
van het zonnestelsel bewegen nu in een baan die ligt
tussen 8° boven en 8° beneden die baan van de
Zon, of boven en onder de ecliptica. Die band
is dus 16° breed en wordt de Zodiak genoemd
of de dierenriem. En in die Zodiak liggen 12
(in feite 13) sterrenbeelden:
van Ram tot Vissen (de dertiende is Ophiuchus, de Slangendrager).
De stand van de planeten worden dan geprojecteerd op
de ecliptica, zodat we kunnen zien hoe ver of hoe dicht
ze van elkaar verwijderd staan.

Bovenstaande projectie meet echter maar één
coördinaat, namelijk de horizontale: de planeten
volgen een baan in de zodiak tegen de wijzers van de
klok in. Vele astrologen bestuderen enkel de positie
en de snelheid van de planeten in dit vlak.
We moeten er echter mee rekening houden dat de planeten
driedimensioneel bewegen. Ze draaien niet alleen
rond de Zon, ze bewegen ook op en neer in de ruimte.
Het meten van deze op en neergaande beweging is even
belangrijk als de voortgaande of retrograde (schijnbaar
achteruitlopend) beweging van de planeten.
Je kan het ook gemakshalve vergelijken met de manier
waarop we een stad lokaliseren op een landkaart: dus
met twee coördinaten één voor de
horizontale en één voor de vertikale positie.
De horizontale posities worden de geografische lengten
genoemd (dat zijn de posities die we traditioneel gebruiken
in de horoscoopcirkel), en de vertikale posities noemen
we de declinaties. Deze vergelijking gaat niet helemaal
op, zoals we verder zullen zien.
Deze op- en neergaande beweging, of de vertikale beweging
wordt gemeten ten opzichte van de hemelequator
(en niet ten opzichte van de ecliptica !) en wordt declinatie
genoemd. De hemelequator is het vlak dat door de evenaar
loopt en wordt doorgetrokken in de ruimte.
Wat is nu een declinatie?
De declinatie is de afstand van een hemellichaam
ten opzichte van de hemelequator.
In zijn dagelijkse beweging doorheen de hemel beweegt
elk hemellichaam van waar het opkomt in het Oosten naar
waar het ondergaat in het Westen. Het pad dat het hemellichaam
aflegt is een cirkelfragment die parallel loopt met
de hemelequator. De afstand (in graden) tussen deze
cirkel en de hemelequator wordt declinatie genoemd.
Hemellichamen met dezelfde declinatie staan in parallel;
dit wordt beschouwd als zoiets als een aspect in de
geografische lengten, met een gelijkaardig effect als
de conjunctie.
Het is wel belangrijk dat je weet dat beide
begrippen (dus de geografische lengten en de declinaties)
deel uitmaken van twee verschillende coördinatenstelsels
(als je de hoogte van de planeten meet ten opzichte
van de ecliptica dan wordt dat de latitude of hoogte
genoemd).
De geografische lengten (gemeten langs de ecliptica)
en de declinaties (gemeten langs de equator) vormen
dus géén natuurlijk paar. De declinaties
gaan wel samen met de rechte klimming (of right ascension)
die op het vlak van de equator wordt gemeten vertrekkend
van het Rampunt (vernal equinox of lentepunt).
Rechte klimming (right ascension) en declinatie
maken deel uit van hetzelfde coördinatenstelsel.
Astronomen maken er gebruik van om de posities van sterren
of melkwegstelsels te bepalen. Je kan dat vergelijken
met een meetsysteem van hoogte en breedte om op aarde
een bepaalde plaats te bepalen. Declinatie (te
vergelijken met hoogte op aarde) meet hoe ver een object
of hemellichaam zich boven de schijnbare hemelequator
bevindt.
Hoe kan je jedat nog voorstellen? Wel ga in het midden
van de kamer staan, en hou je arm gestrekt recht voor
je. Als je je arm beweegt naar boven om bv te wijzen
naar de plafond lamp (of een ander object aan het plafond),
dan is dat net hetzelfde als omhoog gaan in declinatie.
Beweeg je je arm gestrekt naar iets op de vloer, dan
is dat net als beneden (neerwaarts) gaan in declinatie.
Rechte klimming (te vergelijken met lengte of
afstand op aarde) meet de andere kant van de positie
van een hemellichaam. Je staat in het midden van de
kamer, en als je nu met de wijzers van de klok meedraait
om te wijzen naar bv een deur, een venster, een schilderij,
enz. dan beweeg je je in rechte klimming. Rechte klimming
wordt in uren gemeten (van 0u tot 24u), maar kan ook
omgezet worden in graden. Dus net zoals hoogte en lengte
de positie van iets op aarde bepalen, zo bepalen declinatie
en rechte klimming de positie van een object aan de
hemel. Als je hier dieper op in wil gaan, lees
dan...
Net zoals de andere posities van de planeten langs
de ecliptica, worden de declinaties in graden
gemeten. Een planeet staat x° in Noorderbreedte
of x° in Zuiderbreedte ten opzichte van de hemelequator.
Voorbeeld: staat Mars in bv 17° Noorderbreedte en
Saturnus ook, dan staan Mars en Saturnus parallel.
Staat daarbij Venus in 17) Zuiderbreedte, dan staat
Venus contraparallel met Mars en met Saturnus.
Staan planeten in je horoscoop parallel en/of
contraparallel dan heeft dat astrologisch-esoterisch
een belangrijke betekenis. De mening hangt hier ook
af van de betrokken combinaties tussen planeten, enz...
|